Ochavillo del Río ligt in de vallei van de Guadalquivir, ingeklemd tussen Palma del Río, Fuente Palmera en Posadas. Het dorp kijkt net over de grens van de provincie Sevilla. Administratief hoort het bij Fuente Palmera, op 6,4 kilometer van het gemeentehuis. Córdoba ligt op 41 kilometer.
Spaanse weetjes en nieuws uit Andalusië

Castillo de Almogía (Málaga): een vergeten grensvestiging
Het Castillo de Almogía ligt zo'n 24 kilometer ten noorden van Málaga, langs een van de oude routes naar Antequera. Het dorp markeert de westelijke rand van wat vroeger de Xarquía heette, een naam die paradoxaal genoeg "oostelijke zone" betekent. Almogía zelf ligt juist ten westen van de hoofdstad.
De naam zou volgens taalkundige Asín Palacios "de mooie" betekenen. De Arabische geograaf Yaqut vermeldde al in de elfde eeuw een gelijknamige nederzetting in Egypte.
Waarom dit kasteel er überhaupt staat
Het landschap is droog, rotsachtig en weinig vruchtbaar. Geen logische plek voor een bloeiend handelsdorp. Wel een uitstekende positie voor wie de toegangsweg naar Málaga wilde controleren.
Na de verovering van Antequera door infant Fernando op 24 september 1410 verschoof de grens tussen christelijk en moslimgebied naar het zuiden. Almogía groeide uit tot het belangrijkste moslimsteunpunt in de regio, tegenover de christelijke grenspost bij het kasteel van Xebar, zo'n negen kilometer verderop. Rondom het kasteel van Almogía ontstond een nederzetting, niet uit landbouwlogica, maar puur uit militaire noodzaak.
Het leven in een grensregio in de vijftiende eeuw was hard en onrustig, ook tijdens de vele wapenstilstanden tussen Castilië en Granada. Historicus Dufourcq verwoordde het treffend: noch oorlog noch vrede was ooit absoluut.
1483: de expeditie die fout liep
In 1483 verzamelden zich in Antequera enkele van de machtigste edelen uit het zuiden, waaronder de markies van Cádiz en de maestre van de Orde van Santiago. De markies wilde Almogía aanvallen. De maestre koos voor een andere route, door de oostelijke Axarquía. Die keuze bleek desastreus.
De val en het verval
Na de verovering van Vélez-Málaga in 1487 onderwierpen de inwoners van Almogía zich aan de Katholieke Koningen. In ruil kregen ze hun gronden en hetzelfde belastingregime als onder de koning van Granada. Almogía was nadien vrijwel uitsluitend bewoond door mudéjars. Bij de landverdeling gingen de percelen bijna volledig naar 64 mudéjar-eigenaars.
In 1494 richtte een aardbeving aanzienlijke schade aan aan muren, torens en kantelen. De reparatiekosten werden betaald door de mudéjars zelf. Tegen 1528 stond het kasteel er slecht voor: geen enkele toren meer overeind, de deur geblokkeerd, het dorp te arm om te restaureren.
De moriskou-opstand van 1568 gaf het bouwwerk tijdelijk nieuwe betekenis als vluchtoord voor christenen. De lokale moriscos deden zelf niet mee aan de opstand, vermoedelijk omdat de nabijheid van Málaga en Antequera het risico te groot maakte. In 1570 werden ze alsnog gedeporteerd naar Castilië en Extremadura. In 1576 volgde sloop van 85 moorse woningen en hervestiging van veertig christelijke gezinnen.
Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog bezetten Franse troepen het kasteel en verwoestten het bij hun aftocht. Alleen de Homenaje-toren bleef overeind, tot instortingsgevaar in de vroege twintigste eeuw leidde tot sloop van de bovenste helft.
Hoe het kasteel eruitziet vandaag
Het grondplan is een onregelmatige veelhoek, gevormd door de rotsige heuvel waarop het kasteel rust. De langste assen meten 44 bij 34,5 meter. Het volledige omheinde terrein was ooit bijna 900 vierkante meter groot.
Het kasteel telt zeven torens. Opvallend is de positie van de Torre de la Vela: niet vrijstaand in het midden, maar geïntegreerd in de noordhoek. Dat is een kenmerk van de Nasridische bouwtraditie, tussen de dertiende en vijftiende eeuw.
De toren is buitenproportioneel groot ten opzichte van de rest van het kasteel. Alleen de noordoosthoek is nog bewaard, tot op halve hoogte. Het metselwerk toont twee bouwfasen. Tot 8,5 meter: zorgvuldig uitgehakte stenen met kleine platte steentjes als vulling. Daarboven, over 1,8 meter: een tweede concentrische muur met baksteenhoeken in een wisselend patroon. Dat is typisch islamitisch vakmanschap.
De toren had een rechthoekige plattegrond van 11,2 bij 8 meter en was grotendeels massief. Binnenin zijn twee nissen zichtbaar: de westelijke markeert vermoedelijk de vroegere traptoegang, de oostelijke diende als beveiligde opslagruimte voor wapens. De huidige hoogte bedraagt ongeveer 10,4 meter. Aan het begin van de vorige eeuw mat ze nog zeker 22 meter.
(c) foto en bron: www.malaga.es
___
Misschien boeien deze berichten u ook?
De níspero komt oorspronkelijk uit China en Japan en vond in de achttiende eeuw zijn weg naar Europa. In het zonnige klimaat van Spanje voelde hij zich meteen thuis. Sayalonga, een dorpje in de Axarquía-regio, provincie Málaga, groeide uit tot de onbetwiste hoofdstad van dit bijzondere fruit. Het microklimaat tussen de Middellandse Zee en de Sierra de Almijara zorgt voor optimale groeiomstandigheden. De kwaliteit van de níspero's uit deze streek is dan ook uitzonderlijk.
Benahadux ligt in de Bajo Andarax, vlakbij de hoofdstad Almería. Het dorp is omringd door fruitbomen en irrigatieland in de riviervallei. Wie verder kijkt, ziet het ruige droge landschap van de laatste uitlopers van de Sierra de Gador. Dat contrast maakt Benahadux meteen bijzonder.






















