De trein tussen Baeza en Utiel kwam er nooit. Het spoor bleef liggen, de rails verdwenen en de natuur nam het over. Vandaag rijd je op die oude route langs twee compleet verschillende landschappen. Eerst de vlakke velden van Albacete (provincie Jaén), dan de ruige bergen richting Alcaraz.
Spaanse weetjes en nieuws uit Andalusië

Jódar, een oude stad in het hart van Jaén
Jódar ligt in het noordoosten van de comarca Sierra Mágina, in de provincie Jaén. Het is meteen de grootste gemeente van de streek. Het zuidwestelijke uiteinde raakt aan het Natuurpark Sierra Mágina, vanwaaruit het grondgebied afdaalt naar de rivieren Guadalquivir en Jandulilla. Olijfgaarden domineren het landschap, terwijl langs de rivieroevers groenten groeien en op de droge hoogvlakten graan.
De economie draait al eeuwen op olijfolie. Maar er is meer: de groente-industrie wint terrein, en toeristen komen voor het rijke erfgoed, de levendige Semana Santa en de Real Feria de September. Esparto-vlechtwerk en een uitgesproken keuken maken deel uit van de lokale identiteit.
Een stad met wortels tot in de bronstijd
Menselijke aanwezigheid in Jódar gaat terug tot het derde millennium voor Christus. Iberiërs bouwden er nederzettingen, Romeinen vestigden hun villa's, en onder Arabisch bewind groeide de plaats uit tot een welvarend bestuurlijk centrum. In de Arabische bronnen heet de stad Sawdar, en in de tiende eeuw gold ze als een van de achttien bestuurlijke hoofdplaatsen van de Cora van Yayyan.
Sawdar stond al vroeg bekend als producent van olijfolie. De bijnaam luidde Gadir al-Zayt, wat zoveel betekent als "het oliedepot". Drie schepen in de moskee, marmeren zuilen, tuinen: de stad had allure.
Tussen 1227 en 1229 veroverde Fernando III de stad. Daarna wisselde Jódar meermaals van heer, passeerde langs geslachten als Sotomayor, Dávalos en Carvajal, en groeide in de zestiende eeuw uit tot een van de welvarendste plaatsen in de regio. Het was ook de eeuw waarin de stad haar muren te klein werd en uitdijde voorbij de vestingwallen.
Het kasteel als spiegel van de stad
Het Castillo de Jódar is meer dan een ruïne op een rots. Het is de gelaagde kroniek van een stad. Twee imposante mudejaarse torens steken nog altijd boven de daken uit, zichtbaar van ver in de vallei.
UNESCO noemde het kasteel in 1974 al een te bewaren monument, samen met de naburige Iglesia de la Asunción en twee historische straten. De bouw strekt zich uit van de negende tot de zestiende en zeventiende eeuw. Resten in tapial, de oudste bouwtechniek ter plaatse, zijn de vroegste tastbare erfenis van de islamitische periode.
Na de Castiliaanse verovering groeide het kasteel uit tot het belangrijkste militaire steunpunt aan de grens met het Nasridische Granada. Heer Sancho Martínez de Xódar was een van de machtigste figuren van zijn tijd en Adelantado Mayor de la Frontera. Het kasteel van Jódar speelde in die periode een rol vergelijkbaar met Lorca of Martos.
Van vestingburcht tot cultureel centrum
De eeuwen na de Reconquista verliepen minder glorieus. Het kasteel verviel tot gevangenis, graanschuur, oliedepot en schuilplaats voor zieken en bedelaars. Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog deed het dienst als Frans kamp. Daarna volgden anderhalve eeuw van verwaarlozing, als steengroeve en stal.
Protesten van buurtbewoners en bescherming door de overheid voorkwamen de sloop. Uiteindelijk nam het stadsbestuur van Jódar het initiatief om de burcht te restaureren en open te stellen als culturele ruimte. Vandaag fungeert het als informatiepunt voor bezoekers van de stad en het Natuurpark Sierra Mágina.
De architectuur van een grensvesting
Het kasteel staat op een massief rotsplateau met een totale oppervlakte van 3.540 m² en een bebouwd gedeelte van 1.390 m². De plattegrond heeft de vorm van een grote ellips, gevormd door twee omringende muren met aan beide uiteinden een identieke toren. Twee homenaje-torens, tweeling-uitkijktorens in dezelfde stijl: zeldzaam in de provincie Jaén, en hier ook nog de grootste die bewaard zijn gebleven.
Vanuit het kasteel kijk je over de valleien van de Guadalquivir, Guadiana Menor en Jandulilla, over de bergpassen naar Sierra Mágina en de sierras van Cazorla, Las Villas en Quesada. Een netwerk van wachttorens hield vanouds de Koninklijke Weg naar Granada in het vizier.
Historicus Lázaro Gila Medina omschreef het als een van de meest complexe en interessante alcazaba's van het voormalige Santo Reino de Jaén.
Jódar bezoeken
Wie Jódar aandoet, vindt een stad die haar geschiedenis niet verstopt maar er trots op is. Het kasteel geeft uitzicht dat je nergens anders krijgt in de comarca. De omliggende olijfgaarden, de rivier dalen en de nabijheid van het Natuurpark Sierra Mágina maken van Jódar een vertrekpunt voor wie de echte Andalusische provincie wil leren kennen, zonder de drukte van de bekende toeristische routes.
(c) foto en bron: www.jodar.es
___
Misschien boeien deze berichten u ook?
La Vuelta viert dit jaar zijn 81ste editie en dat wordt geen gewone rittenkoers. Van 22 augustus tot 13 september 2026 trekt het peloton langs de Middellandse Zee, met een absolute primeur op het einde. Andalusië krijgt de eer om de ronde af te sluiten en dat voelt als een echte kroon op het werk.






















