Eeuwenlang was er maar één manier om van het Spaanse binnenland naar het zonnige zuiden te reizen: te voet, te paard of per kar over stoffige wegen. Vanuit Toledo splitsten de routes zich richting het dal van Alcudia, het dal van de Guadalquivir of het ruige Muradal-gebergte. Wie naar de koninkrijken Jaén of Granada ging, had keuze genoeg aan kronkelwegen, maar niet aan comfort.

























